Het prille dorp


Jezus-Eik was rond 1820 de kleinste parochie in de streek. Het telde toen amper 100 inwoners. Een mooi globaal beeld van Jezus-Eik in zijn nabije omgeving op de vooravond van het Ancien Régime wordt ons geboden door de Ferrariskaart (zie § l). Voor wat betreft de eerste decennia van de 19e eeuw kan er een beroep gedaan worden op kadasterbescheiden uit de voorbereidende fase op het huidige kadaster, die plaatsgreep van 1806 tot 1834. In deze kadastrale documenten wordt het toenmalige Jezus-Eik zeer gedetailleerd beschreven. Over deze documenten wordt uitgeweid in § 2, § 3 en § 4.

1. Ferrariskaart

Op de Ferrariskaart, gemaakt in 1768 op schaal 1/1 1.520 kan men in Jezus-Eik gemakkelijk 23 afzonderlijke rode vlekjes (huizen) tellen. De geïsoleerde ligging van Jezus-Eik, in het Zoniënwoud, komt hier zeer goed tot uiting.

Het bos reikte toentertijd langsheen de steenweg naar Overijse tot aan de, nu tot restaurant omgebouwde, hoeve “Ten Weyngaert”. Het Zoniënwoud maakte deel uit van de dominale goederen, toebehorende aan zijn Keizerlijke Majesteit. Dit is de regerende vorst van dat ogenblik, nl. Jozef I. De begrenzing van het dominale Zoniënwoud is zeer goed zichtbaar op de Ferrariskaart. Omheen Jezus-Eik is er geen dominale grenslijn getekend en bij de rode vlekjes staan geen nummers vermeld die de parochiale afhankelijkheid aanduiden. Dit alles betekent dat de gronden en woningen onder Jezus-Eik eigendom waren van Jozef II en beheerd werden door de Brabantse Raad van Financiën, de Houtvesterij en de ambtenaar van de Rekenkamer.

2. Registre d’expertise (parcellaire) de Notre-Dame-au-Bois

Na de Franse revolutie werd Jezus-Eik gedurende 14 jaar een onafhankelijke gemeente, nl. van de l e Frimaire van het jaar IV (21 nov. 1796) tot in 1810. Bij keizerlijk decreet van 15 november 1810 werd het ingelijfd bij Overijse (zie illustratie), en niet op 11 april 1810 zoals A. Wauters in 1855 en L. Hoefnagels in 1924 zonder bronvermelding en mijns inziens foutief beweren.

Tussen 16 november 1806 en 22 april 1808 wordt de “Registre d’expertise (parcellaire) de N-D-au-B” (ARA Kad. 217) samengesteld. Deze bundel bevat een proces-verbaal van afpaling, document nr. 1 genoemd, waarin de gemeentegrenzen nauwkeurig worden beschreven. Voor het overige bevat het dossier een volledig verslag van de moeizame berekening van het kadastraal inkomen van gronden en gebouwen. In dit verband werd op 16 oktober 1807 het document nr. 5 “Tableau de Classification des propriétés foncières” opgesteld. Dit gebeurde door een controleur van het kadaster, die ter plaatse de toestand bekeek en getrouw beschreef. De voornaamste vaststellingen die hij deed volgen hierna. De toenmalige gemeente Jezus-Eik wordt helemaal omsloten door het Zoniënwoud. Over het ontstaan, bestaan er naar zijn schrijven twee versies: ofwel als beschermingsplaats tegen roversbenden in het Zoniënwoud, halverwege tussen Oudergem en Overijse, ofwel als bedevaartsoord. Naar mijn mening sluit de ene versie de andere niet uit. Integendeel, beide versies vullen elkaar goed aan. Verder benadrukt de controleur de uiterst kleine oppervlakte van Jezus-Eik, waarover meer gegevens verstrekt worden in het document nr. 11 (zie verder) van dezelfde bundel. De gemeente telt 30 woningen. Het aantal inwoners is de controleur onbekend.

De belastbare oppervlakte, met uitzondering van de huizen, wordt volledig in beslag genomen door kleine tuintjes, waarin de bewoners alleen groenten kweekten. De opbrengst van deze tuintjes was onvoldoende om de hele bevolking te voeden. Wel hadden enkele Jezus-Eikenaars, o.a. Taymans, Mainé, bouwland in de naburige gemeente Overijse, maar zelfs de opbrengst hiervan samen met deze van de tuintjes volstond niet om in de eigen behoeften te voorzien. De ontbrekende eetwaren werden gekocht op de markt te Brussel.

Als gevolg van de kleine landbouwoppervlakte, was het aantal actieven in de landbouw uiterst gering. Het merendeel van de bevolking was, wanneer er werk was in het Zoniënwoud, tewerkgesteld als boswerker. Al deze mensen leefden in grote armoede. De reeds eerder genoemde Jezus-Eikenaars, daarentegen, die grond bezaten in Overijse, bewoonden de beste, m.a.w. stenen huizen. Zij alleen profiteerden van de handelsmogelijkheden die Jezus-Eik als bedevaartsplaats (herbergen) en als houthakkersdorp (houthandel) bood.

Jezus-Eik telde toentertijd een kerk en 30 woonhuizen. De woningen werden naargelang hun grootte en kwaliteit ingedeeld in acht klassen. De hoogste klassen bevatten slechts 6 huizen. Alleen deze zes huizen zijn gebouwd in baksteen en bedekt met een leien dak. Het zijn alle handelshuizen. In de vier lagere klassen bevinden zich de 24 resterende woningen. Dit zijn min of meer grote, lemen huizen bedekt met stro. De woningen behorende tot de laagste klasse zijn in zeer slechte staat en lijken meer op hutten dan op huizen. Uit het document nr. 11 van dit register ” Récapitulation de la contenance et des revenus imposables de la commune de Notre-Dame-au-Bois” blijkt dat de totale oppervlakte van Jezus-Eik 2 ha 37 a 86 ca bedraagt, waarvan slechts 1 ha 64 a 02 ca of 69 % belastbaar is. 28 % van de totale oppervlakte is pp bebouwd en 41 % is landbouwland (tuinen). Er dient nog opgemerkt dat toen deze registre d’expertise opgesteld werd, Jezus-Eik reeds eigendom was van zijn verschillende bewoners. Wanneer de Jezus-Eikenaren eigendomsrecht verwierven is mij niet heel duidelijk. Is dit misschien ook een gevolg van de Franse Wet?

Grondgebruik in Jezus-Eik, anno 1808

ha. a. ca.
Belastbare oppervlakte: huizen 67 30
tuinen 96 72
1 64 02
Onbelaste oppervlakte: wegen en dorpsplein 67 84
kerk en kerkhof 6 00
73 84
Totale oppervlakte: 2 37

3. Registre d’expertise d’Overijssche Notre-Dame-au-Bois: 1818-1822

Als gevolg van de fusie van Jezus-Eik met Overijse werden de afzonderlijke processen-verbaal van opmeting 1806-1808 vervangen door een nieuwe ” Registre d’expertise parceflaire “, nl. deze van Overijssche – Notre-Dame-au-Bois, opgemaakt tussen 28 januari 1818 en 30 augustus 1822 (ARA Kad. 23 l). In tegenstelling met het eerder besproken proces-verbaal van afpaling van Jezus-Eik zijn in dit register de gemeentegrenzen in kaart gebracht. Wat ons hierbij voornamelijk interesseert, is de grens met het Koninklijke Zoniënwoud. Het valt aanstonds op dat deze grens samenvalt met de op de Ferrariskaart vermelde grens van het dominale Zoniënwoud, met dien verstande echter dat Jezus-Eik en de steenweg naar Overijse tot de gemeente Overijse behoren Jezus-Eik vormt dus als het ware een schiereiland van en – door middel van de steenweg verbonden met Overijse – in het Zoniënwoud.

Uit het document nr. 5 van dit register blijkt dat de woningen van Overijse – Jezus-Eik, op basis van hun grootte en kwaliteit geklasseerd worden in 17 groepen. In § 4 kom ik terug op dit document.

4. Het “VOOR-primitief perceelplan van de sectie A van Overijse”, en de “Matrice minute (période hollandaise) de Overijssche – Notre-Dame-au-Bois’-‘

Omstreeks 1820 wordt Overijse – Jezus-Eik definitief ingedeeld in 11 secties: A, B, C, D, E, F, G, H, 1, J, K, en L. Tegelijkertijd worden de voorprimitieve perceelplannen getekend.

Sectie A komt overeen met de vroegere gemeente Jezus-Eik, waaraan de steenweg naar Overijse werd toegevoegd. Het kaartje op de middenpagina is een kopie van het voorprimitieve plan van de sectie A. Het originele plan wordt bewaard in het gemeentearchief van en te Overijse. Van dit unieke plan is er, noch in de gewestelijke directie van het kadaster te Brussel, noch in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, een tweede exemplaar aanwezig.

Plan

De nummering van de percelen op dit voorprimitieve perceelplan van de sectie A stemt overeen met de perceelnummering die gebruikt wordt in de “Matrice minute (période hollandaise) de Overijssche – Notre-Dame-au-Bois”, die bewaard wordt in het Algemeen Rijksarchief te Brussel (ARA Kad. 1694). Deze minuutlegger bevat enerzijds een “relevé des propriétés bâties” en anderzijds een “liste alphabet minute”. In de liste alphabet minute ontbreken verscheidene bladen, zodat er over een deel der onbebouwde percelen in de sectie A geen gegevens voorhanden zijn. De relevé des propriétés bâties is overgenomen op de kaart, voor wat betreft sectie A, en leert ons dat 21 (78 %) van de belastbare woningen slechts 1 deur en 1 venster hebben. 18 van deze woningen behoren tot de klasse 17 en de overige 3 tot de klasse 16. In het document nr. 5 van de registre d’expertise d’Overijssche – Notre-Dame-au-Bois, worden deze klassen als volgt getypeerd: “Les 16e et 17e classes ne comprennent que des véritabies chaumières “. Het hoogst geklasseerde huis in Jezus-Eik is de niet-belastbare pastorie, die tot de klasse 3 behoort. Slechts 6 van de 28 huizen, pastorie uitgezonderd, bezitten meer dan één deur en één venster. Twee van deze huizen behoren tot de klasse 4, die alleen de aanzienlijkste herbergen en belangrijkste hoeven bevat. Dit zijn de boerderij van Jean Francois Taymans (huidig restaurant Denaeyer) en de hoeveherberg van de weduwe van Georges Mainé (het in het begin van de zestiger jaren afgebroken huis dat stond langsheen de Brusselsesteenweg tussen de Kredietbank en het vroegere café “Den IJser”). Daar Georges Mainé van 1808 tot en met 1810 burgemeester was van de onafhankelijke gemeente Jezus-Eik, mag met grote waarschijnlijkheid aangenomen worden dat het gemeentehuis van Jezus-Eik in zijn huis was ondergebracht.

Sinds 1807 zijn er dus geen essentiële veranderingen in het bewoningspatroon van Jezus-Eik opgetreden. Het aantal huizen daalde nauwelijks van 30 naar 28. De woonkwaliteit verbeterde zeker niet. In 1807 is er sprake van 6 belastbare stenen huizen, terwijl rond 1820, 6 huizen met meer dan één deur en één venster vermeld worden.

Als besluit mag gesteld worden dat Jezus-Eik in het begin van de 19e eeuw, een uiterst klein zelfstandig dorpje, weliswaar bestuurlijk afhankelijk van Overijse, nog steeds omringd wordt door het Zoniënwoud, en dat het merendeel der Jezus-Eikenaars er in grote armoede leefden (78 % van de woningen zijn bouwvallige lemen hutten).

(bron: ‘Van bedevaartsoord tot villadorp’ 1984 aut: Mik LENSECLAES )

2016 - Dorpsraad Jezus-Eik