Druiventeelt


Geschiedenis van de druiventeelt onder glas

De druif is bijna zo oud als onze beschaving. De overlevering leert ons dat Noë na de zondvloed een wijnstok plantte en zich aan de vruchten te goed deed. Zonder in detail te treden over 5000 jaar druif, zoals in het boek van Albert MICHIELS, is het toch goed ter inleiding de Brabantse wijnbouw in de middeleeuwen aan te stippen. Want behalve in de huidige druivenstreek zijn er talrijke wijngaardtoponiemen in Aarschot, Anderlecht, Asse, Bertem, Brussel, Diest, Erps, Heverlee, Keerbergen, Merchtem, Meise, enz. Onder invloed van allerlei omstandigheden is de Brabantse wijnbouw tegen het einde van de zestiende eeuw nagenoeg volledig verdwenen. Willem BOONEN schrijft rond 1593 over Leuven: “Nu tertijt wordden de wijngaerden zeer gedestruweert ende uijtgeroijt, doer dijen dat den cost diemen daeraen doet, binnen eenen jaere, op drije naevolgende jaeren, metten proffijte vande selve wijngaerden nauwelijck en can vervangen noch betaelt wordden. Onze voerouders, over de hondert ende meer jaeren, en hadden niet costelijcker oft weerdiger om hunne kinderen, op hunne bruijloeften mede te beghiften en voer houwelijck goet te geven, dan wijngaerden… ”

Niets nieuws onder de zon! Als in onze streek jongelui vroeger na wat dansvermaak enige aantrekkingskracht voelden, viel wel eens dit vraagje: “Zere gaa ma gere?” “En hedde gaa sere?” De laatste jaren wordt er duidelijk niet meer naar het aantal serres geïnformeerd als voorwaarde voor een afvaart met het huwelijksbootje.

Van de totale druivenproductie wordt zowat 85 % tot wijn verwerkt, maar bij ons was (is) het duidelijk anders: de Vlaamse druif is op de eerste plaats een tafeldruif. Hoe is de druiventeelt onder glas ontstaan?

Ontstaan van de druiventeelt onder glas

Druif

Talrijke naar het zuiden gerichte hellingen in Hoeilaart en Overijse, de bodemgesteldheid (?), goede transportverbindingen in de buurt van Brussel, en de beschermende nabijheid van het Zoniënwoud tegen hagel (?) hebben de pioniers aardig geholpen. Vooreerst Felix SOHIE (1841-1929), die na zijn dienst op het kasteel van Baron de Peuthy te Huldenberg, in de Hoeilaartse wijk ‘Den Berg’ gestart is met het telen van druiven, meloenen, aardbeien, perziken en vroege groenten. Samen met drie broers ontwikkelde hij een verwarmingssysteem met een fornuis en aarden buizen, maar veertien jaar na de start in 1865 waren er in Hoeilaart nog maar acht serristen! De eerste druivenkas te Overijse wordt door de gebroeders Danhieux in 1878 gebouwd in de Scheidhaagstraat, die nu hun naam draagt. Met een ietwat ongezonde naijver hebben de Hoeilanders en Overijssenaren sindsdien miljoenen kg druiven geteeld: Royal, Colman, Muscat, Leopold III, Canon Hall, Frankenthal, Ribier… De ontwikkeling van zwellend botje tot rijpe tros werd voor de filmclub Kontrast in 1971 gefilmd door Lodewijk Jozef VERRIJT. Hier kunnen wij er niet over uitweiden, evenmin als over de ziekten die de druiventelers naar de solferblazer of roofmijt deden grijpen: matziekte, rode spin, thrips, trosrups, enz.

Onze streek veranderde van uitzicht

Zoals het kleine bedevaartsdorpje Jezus-Eik door bosontginning van uitzicht veranderde, zo zijn de landelijke gemeenten Hoeilaart en Overijse tot “glazen dorpen” gepromoveerd. De landbouw en de bosbouw namen af, ten voordele van de gespecialiseerde druiventeelt. 1961 was het absolute topjaar, zowel wat de geteelde oppervlakte (489 ha) als het aantal serres (34.931) betreft. En er heerste een ongekende welvaart!

Serres

Daar onze binnenlandse markt beschermd was door een invoerkalender, en de contingentering en handel van zuiderse druiven nog niet ontwikkeld was, nam het druivenareaal tot 1961 toe en waren de prijzen van onze druiven ongelooflijk hoog. Iedere teler met wat naam had zijn meiden en knechten en aan de kasteelachtige villa’s, die als paddestoelen uit de grond rezen, kan men nu nog de welstand van de druiventelers van weleer aflezen. Bovendien hadden vele soorten ambachtslui hun handen vol: serrenmakers, hout- en ijzerbewerkers, de werklieden in de stoomzagerijen, baksteenovens, kassenzagerijen, gieterijen… Hoeft het ons dan ook te verwonderen dat de bevolkingsinwijking erg hoog was? Alles lijkt van een leien dakje te lopen, behalve … de commerciële en syndicale aanpak. De individualistische, traditionele serristen waren met één beroepsvereniging niet tevreden, vandaar de Serristengildes van de Belgische Boerenbond, de Vrije Serristenvereniging, het Syndicaat der Belgische Druivenkwekers, enz. Maar ook de verkoop- en publiciteitsorganisatie loopt mank. Denken we maar aan de soorten verkoop vroeger en nu (markthalles, veilingen, vrije en druivenmarkten, druivenhandelaars, eigen marktverkoop e.d.m.).

Tenslotte valt er ook nog op cultureel vlak een en ander te melden: de eigen verenigingen, de tentoonstellingen, de feesten en de folklore rond de reuzen John Colman, Mieke Muscat en Pitje Royal. U kunt er veel over lezen in ” Druivenland “, ” De IJsschegalm “Tussen Brussel en Leuven” en natuurlijk ook in “De Serrist”.

Van bloei naar aftakeling, op en neer…

Voor het hoogtepunt in het begin der jaren zestig was bereikt werden een paar aanvullende of marktzuiverende initiatieven genomen. Ieder denkt hier op de eerste plaats aan de stichting van wijncoöperatieven. Onder impuls van Albert MICHIELS en Raymond LUPPENS werd in 1955 ISCA gesticht en in het eerste jaar werden er al 50. 000 kg druiven van de markt genomen. In 1958 opende men de Weinstube en op 4 september 1960 werd de eerste steen van ultramoderne wijnkelders gelegd door Paul VAN DEN BOEYNANTS. “Kommer, zorgen of verdriet, hebt ge met de Isca niet! ” Tenminste niet, tot in het sluitingjaar 1979. De tweede serristencoöperatief uit 1955 was SERCO, die dank zij een achthonderdtal aandeelhouders Clement Marfin, Cháteau Clement en rosé-serco afleverden. De jongste telg is SONIEN, in 1980 door Pips LUPPUNS boven de doopvont gehouden!

Wat heeft de druiventeelt zo’n slagen toegebracht? Wij wezen al op het ontbreken van een actieve producentenvereniging, die zou moeten instaan voor de concentratie van het aanbod, de controle op de prijzen, het verlenen van technische hulp, voor acties om van de overheid passende steun te krijgen en met het wetenschappelijk onderzoek zou moeten samenwerken. Ieder weet dat ook de fiscale maatregelen niet steeds even gunstig zijn, dat de ouderdomsstructuur der telers zeer ongunstig evolueerde (maar ook de serres werden een dagje te oud: in 1974 was 70 % der druivenkassen meer dan dertig jaar!).

De twee hoofdredenen van teloorgang zijn echter de veel te hoge stookkosten en de Europese gemeenschap. De E.G. -bepalingen, afgesproken in 1958, traden in 1962 in voege:

Alle bestaande in- en uitvoerrechten worden afgeschaft.
De kwantitatieve beperkingen vallen weg.
Een gemeenschappelijk buitentarief wordt opgesteld.
Inmiddels is voor de binnenlandse markt de verbruiker aan het woord: weegt het prijsverschil op tegen het kwaliteitsverschil, of omgekeerd?

Voor de buitenlandse markt is het mogelijke lichtpunt van grotere afzet zeker niet gerealiseerd. Integendeel, de Middellandse-Zeelanden hebben hun teelt beter verzorgd en verlaat. En nu dienen Spanje en Portugal zich ook nog aan als E. G. -landen, terwijl er in de derde wereld, bv. in Chili, bijzonder “hoopgevende” proeven met verzorgde, geknipte druiven worden verricht.

En dan de stookkosten! Stoken is nodig om geforceerde of verlate teelten te bekomen. Na de steenkolen, gestookt in keteltjes per serre, kwam de omschakeling op zware, heel zware of extrazware stookolie en op aardgas. Maar weet u dat de prijzen sinds 1974 de pan zijn uitgeslagen. Wie kan dat nog betalen?

Maar in het werk “De Belgische druiventeelt: tussen hoop en vertwijfeling” beweert de jonge economist Dirk DENUDDELEER: ” Kostenbesparende maatregelen die een weerslag hebben op de kwaliteit van onze glasdruif moeten ten allen prijze vermeden worden omdat de kwaliteit tot op heden de naam en de faam van de Belgische druif uitmaakte en ons enig verdedigingsmiddel is tegen de buitenlandse concurrentie. Om te kunnen overleven moeten de druiventelers hun serres blijven verwarmen. De enige manier om de energiekosten te drukken bestaat bijgevolg in het efficiënter aanwenden van de brandstoffen.

En morgen…geen valse hoop a.u.b.

Voor de druiventeelt die door de energiecrisis en in mindere mate door de Europese gemeenschap, aan de rand van de afgrond werd gebracht, is er wellicht nog hoop, gesteund op:

De groeiende belangstelling onder de jongeren voor de druiventeelt;
Het intensief praktijkgericht onderzoek van het provinciaal tuinbouwcentrum te Overijse op het gebied van energiebesparing, bemesting, ziekte- en insectenbestrijding en het opsporen van nieuwe dik vruchtige variëteiten;
De blijvende vraag naar echte kwaliteitsdruiven. Met meer samenhorigheid dan in het verleden, met doelgerichte commercialisering en propaganda en een grotere soepelheid in de bedrijfsvoering, kan een groep van een tweehonderdtal vooruitstrevende telers, die durven investeren en nauwlettend het wetenschappelijk onderzoek volgen en benutten, overleven.
Meer informatie omtrent de druiventeelt op www.overijse.be

(bron: ‘Van bedevaartsoord tot villadorp’ 1984 aut: Francis Stroobants)

2017 - Dorpsraad Jezus-Eik