De sigarenmakerij


Sigarenmakers bij Istas

Wie het oude Jezus-Eik van vóór de massale verkavelingen voor ogen roept, ziet bedevaarten, boswerkers en sigarenmakers bij Jean en Joseph Istas. Jean Istas zag het levenslicht in Tervuren op 2 februari 1855, huwde Hortense Stillemans en stierf te Jezus-Eik op 5 maart 1924. In 1875 hadden de Istassen de oude afspanning “A la vieille Banière” overgenomen; de gevel werd gemoderniseerd in 1909 en Jean was als ” fabricant de tabacs et cigares ” gevestigd in wat nu nog “Huis Istas” heet. Op zijn bidprentje lezen wij dat hij “Oud-schepen der gemeente Overijssche” is geweest en “Voorzitter-Stichter der Fanfaren Les Enfants de la Forét ” (1895). Zevenentwintig jaren heeft hij besteed aan het beheer van gemeentezaken, waarvan 25 als schepen. “Aan zijne onderdanen (lees: werklieden in zijn sigarenfabriek), aan de armen, aan de schooljeugd, wist hij door milddadigheid menig genoegen te bezorgen”. Vandaar wellicht zijn burgerlijk erekruis eerste klas.

Istas

Zijn broer Joseph, getrouwd met zus Mélanie Stillemans, stierf reeds in 1895. Hij bewoonde het huidige “Café de la Forét”, toen “A la Fabrique de tabacs et cigares”. Aan de achtergebouwtjes moeten wij aankloppen om de ambachtelijke sigarenmakers te leren kennen, die uit de streek van Tumhout en Arendonk naar Jezus-Eik gekomen waren. Een van hen was Petrus Vanderceelen, die als “Voske ” in heel Jezus-Eik bekend was. Te Arendonk geboren op 21.4.1879, kwam hij al in 1897 in Jezus-Eik aan. Niet minder dan 52 jaar heeft hij bij Istas gewerkt, sigaren gemaakt: “bokskes, panatela’s, rechtaffe en bolknaaipers, zoals hij mij in augustus 1974 voor de 58e dialectvragenlijst van het Brabants Woordenboek wist te vertellen (zie Spoorslag 74/6 waarin ook melding gemaakt wordt van de topper tijdens ” kuskesdansen “: ‘k Em e bloemeke geplukt … ). In zijn 96e levensjaar ontsliep hij in een Overijses rusthuis op 21.7.1975.

De sigarenmakerij in Jezus-Eik

sigaren

Naam Toenaam Geboorteplaats en datum Bron
1. Jan Baptist ISTAS   Tervuren, 2 februari 1855 3
3. … De witte sigarenmaker van Arendonk   1
4 … Witte Jan   2
7. Petrus LENS Pirre Lens Arendonk, 2 october 1866 3
8. Pirrewit   2
9. Petrus JACOBS Pieter van Monica Jezus-Eik, 24 november 1870 1
10.Johannes Bpt. GERSTMANS Klane Jan Turnhout, 31 october 1868 3
11.Antoon VANDONGEN Toinke van Bette Fynaert(NL), 30 augustus 1873 3
12.(familie van W PELLEGRIN)     2
13.Willem PELLEGRIN De Lange Tienen, 24 februari 1870 3
15.Herman DESCHUYTER Paike Tienen, 20 december 1868 3
16.Louisa LEFEVER Lowis va nette madam Jezus-Eik, 5 februari 1884 2
18.Catharina Trinette LUPPENS Nette van Gusse Neus Kraainem, 4 februari 1885 2
19.Joseph JACOBS Slim Jezus-Eik, 28 juni 1865 3
20.Louis DEYNS Lowee van Hortans van Blok Jezus-Eik, 1 maart 1889 2
22. Renee va Euhleberg   3
23….. DEYNS     2
24.Louis ISTAS   Jezus-Eik, 7 februari 1883 3
25.Joseph ISTAS   Jezus-Eik, 31 october 1885 3

Bronnen: 1. Vital ISTAS 2. Leontine JACOBS 3. Vital ISTAS en Leontine JACOBS

Deze foto (ter beschikking gesteld door Arthur Soret) dateert zeker van vóór de eeuwwisseling(1900). Hij werd hoogstwaarschijnlijk genomen tussen 1895 en 1900, daar Louis Istas (nr. 24 op de foto), die als oudste zoon van Jan Baptist Istas (nr. 1 op de foto) geboren werd op 7 februari 1883, op de foto ouder is dan 12 jaar, maar toch nog geen 16 jaar oud is.

Van de 25 personen op de foto werden er door Vital Istas, Leontine Jacobs, Germaine Deschryer, Maria Paternoster, Mathilde Luppens en Domien Vercaigne, 13 met zekerheid geïdentificeerd. De nummers 2, 5, 6, 14, 17 en 21 zijn helemaal onbekend, terwijl de toelichtingen bij 3, 4, 8, 12 en 22 slechts gissingen zijn. De onbekenden op de foto zijn vermoedelijk sigarenmakers afkomstig uit de Antwerpse Kempen (Turnhout – Arendonk, beroemd om zijn 19e eeuwse ontwikkeling van de sigarenmakerij), die slechts enkele jaren in Jezus-Eik werkten, en terugkeerden naar hun geboortestreek of naar elders uitweken.

Deze foto heeft naast een grote heemkundige betekenis ook een belangrijke didactische waarde. Het sigarenmakeralaam en het sigaren maken worden er mooi op weergegeven.

Hoe werd een sigaar gemaakt?

Die vraag stelde ik aan Vital Istas, jongste zoon van wijlen Jan Baptist Istas, die aan de hand van de foto het productieproces als volgt in geuren en kleuren beschreef.

Meerdere keren per week gingen ofwel Louis Van Schoubroeck en zijn zoon Gustaaf ofwel Theodoor Vanderlinden (Doreke) met paard en kar de in balen van 60 tot 400 kg verpakte tabaksbladeren afhalen in het station van Groenendael. Verschillende soorten werden er gebruikt: java, bresil, mexique, havanna en sumatra. Het mengen van deze verschillende tabaksoorten bepaalde de kunde van de sigarenfabrikant. In de fabriek aangekomen werden de droge krokante bladeren vooreerst met water besproeid. Wanneer de bladeren voldoende week waren (24 uren) vouwde Lisaike Deveuster (Lisake Pataike) ze open. Vervolgens werden er door Malvina Guns (Malvinna van Joéne) de hoofdnerven uitgetrokken. Dit noemt men het ontribben of striepen. Daarna werden de bladeren machinaal versneden (tot 500 kg per dag) wanneer het pijp- of sigarentabak betrof.

Voor sigaren trok Jozef Jacobs, bijgenaam Slim (nr. 19 op de foto) de bladeren met de hand stuk. Met het maken van de “poppen” begon het echte sigarenmakerwerk: de stuk getrokken bladeren werden in een groot blad opgerold. Op de foto wordt dit gedaan door nr. 11 Antoon Vandongen (Toinke van Bette). Daarna werden de poppen in vormen van 20 sigaren gelegd, hetgeen nr. 5 doet op de foto. Zes vormen werden op elkaar onder de pers geplaatst. Terwijl de vormen onder de pers stonden sloeg Jan Baptiste Gerstmans, beter gekend als Klane Jan, (nr. 10 op de foto) er twee ijzeren klemmen rond, zodat de vormen aanstonds onder de pers mochten uitgehaald worden. Vervolgens werden de uit de vormen stekende gedeelten van de poppen met een snijmes afgesneden. De poppen werden daarna uit de vormen gehaald en uit grote Sumatra-bladen sneden nrs. 3 en 14 (onbekend) ” dekbladen “, waarin de poppen gewikkeld werden. Tenslotte lijmde Petrus Lens (Pirre Lens) nr. 7 op de foto, de punten van de sigaar met Arabische gom. De sigaar is klaar.

Dan volgt het sorteren op kleur, wat geen klein kunstje was. Pierre Jacobs, bijgenaamd Pieter van Monica (nr. 9 op de foto) was hierin de specialist. Men onderscheidde 5 klaarheidsgraden: claro (klaarste), colorado claro, colorado, mascuro en obscuro (donkerste).

Na het sorteren werden de sigaren in kistjes gelegd. Deze kistjes, die nog niet helemaal dicht gingen, plaatste men nog 24 uren onder de pers. Na de taxering, vrouwenwerk dat lange tijd verricht werd door Josephina Dekeyser (Fine Vanmoer) en Jeanne Vandevuer (Janne va Susse de Zager) werden sigarendozen op de immer verwarmde droogzolder luchtig gestapeld.

Sigaretten werden in de fabriek maar gemaakt tot rond de eeuwwisseling. Het vaatje vooraan op de foto bevat “chiktoebak”. Hiervan werd er tot 180 kg per dag verkocht. De chiktabak en de behorende saus werden door Istas in ’t groot aangekocht bij JacobsTeurlinckx (AJJA) in Brussel. In de fabriek werden de chikken in kleine vaatjes met de “lekkere” pikzwarte saus overgoten.

Tot voor de eerste wereldoorlog werden de tabakswaren iedere dag met 2 karren uitgevoerd. Istas beschikte hiervoor over 3 paarden, zodat er altijd 1 kon rusten. Reeds kort na W.O. 1 voerde Vital Istas de sigaren uit met de Ford-bestelwagen.

De sigarenmakers werkten 6 dagen per week. Per dag maakten ze ieder zo’n 400 sigaren. ’s Maandags gebeurde het wel eens dat ze geen zin hadden om te werken, en bleven plakken in het café van hun baas. Dit deerde Jan Baptist Istas echter niet, want de sigarenmakers werden toch per stuk betaald, en terwijl ze in zijn café zaten kon hij er bovendien zijn bier aan verkopen.

Wanneer ze dan een stuk in de nacht huiswaarts gingen, zong Antoon Vandongen (Toinke van Bette) als hij voor een gesloten deur stond: “Bette dut open, Toinke es hee, he’s zat gezopen in jenevel en bee”. Wanneer je de foto bekijkt, lijdt het geen twijfel wie de bedrijfsleider is. Of staat Jan Baptist geen beetje “boven” zijn personeel? Autoritair was hij misschien niet, doch gezaghebbend was hij wel. Overigens niet ten ongunste van de Jezus-Eikenaars. Als pioniers van de sigarenmakerij in ons dorp aan het einde van de 19e eeuw maakte hij het toen al gerenommeerde b(i)e(r)devaartsoord nog wijder bekend. Wat zeker ten goede kwam aan de plaatselijke bevolking die hij rechtstreeks of onrechtstreeks werk verschafte. De oude Jezus-Eikse dorpskern verloor door hem zijn imago van armoedig lemen bouwvallig boswerkers dorpje, zoals een controleur van het kadaster het in 1812 in de registre d’expertise d’Overijssche – NotreDame-au-Bois – beschreef (ARA. Kad.231). Niet alleen materieel, maar ook cultureel bracht hij Jezus-Eik hogerop. Het is immers onder zijn impuls dat in Jezus-Eik in 1895 de fanfare opgericht werd, die momenteel haar tweede adem gevonden heeft. Hoe en waarom Jan Baptist Istas in Jezus-Eik met de sigarenmakerij startte is mij onduidelijk. Werkte hij vooraleer hij trouwde al in de sigarenindustrie? Of had hij connecties in de tabaksnijverheid? Ik moet het antwoord schuldig blijven. Feit is dat de Tervurenaar Jan Baptist Istas op 18 september 1882 in Brussel trouwt (de aandachtige lezer weet wel waarom) met Hortensia Stillemans, dochter van wijlen de zeer gegoede Joseph Stillemans en Ludovica Decoster (de weef den drauwer of ’t pachteske genoemd), die in Jezus-Eik het café “A la vieille barrière” (in het begin der jaren zestig gesloopt huis dat stond langsheen de Brusselsesteenweg tussen taverne ’t Jachthof en garage Verhaeghe) uitbaat. Het gezin Istas-Stillemans vestigt zich in Jezus-Eik, en Jan Baptist begint met de fabricatie van sigaren.

In 1888 koopt hij het huis van Michel Luppens “de jonge”, en verbouwt het tot het huidig café “gebroeders Istas”. De sigarenproductie neemt snel toe. In 1907 (volgens kadaster) bouwt hij achter het café een sigarenfabriek, waarin tot op het ogenblik van de sluiting van het bedrijf (einde der vijftiger jaren) meer dan 20 arbeiders werkten.

Daar er in Jezus-Eik niemand sigaren kon maken liet hij rond de eeuwwisseling een aantal sigarenmakers uit de streek van Arendonk overkomen. Een deel hiervan immigreerden met heel hun gezin en bleven in Jezus-Eik wonen (o.a. de ouders van Domien en Jules Vercaigne).

Anderen, zoals Antoon Verdongen, weken in als jonge mannen en trouwden in Jezus-Eik. De juiste omvang van deze overigens niet onbelangrijke inwijking kan alleen achterhaald worden in de bevolkingsregisters.

(bron: ‘Van bedevaartsoord tot villadorp’ 1984 aut: M. Lenseclaes.)

2016 - Dorpsraad Jezus-Eik